vrijdag 21 maart 2014

Kobe, 1958


Zonder IJsbrand Rogge had de carrière van Janwillem van de Wetering er misschien heel anders uitgezien. De twee ontmoetten elkaar in 1958 in Kobe, Japan. Van de Wetering kwam daar in dat jaar per schip aan en reisde al na een paar dagen door naar het klooster in Kyoto, waar hij langere tijd zou verblijven. IJsbrand woonde en werkte in Kobe voor een Nederlandse bank. Daarnaast was hij zijn leven lang een enthousiast filmer en fotograaf. Veel van het werk dat  hij maakte is terug te vinden op het youtube kanaal waarmee hij bekendheid in Azië verwierf. Mensen kijken graag naar dit zeldzame oude materiaal.
Nu woont Rogge in Amsterdam, in een huis vol herinneringen. De lange wanden in zijn huis zijn volledig gevuld met boeken, knipselmappen en fotoalbums. In deze woonkamer was in de jaren zestig de galerie gevestigd die hij samen met zijn moeder runde. Het was een roerige tijd,  niets was te gek. Jan Cremer was een van de kunstenaars die hier exposeerde. Zijn enorme schilderij ‘Japanse oorlog’, heeft hier nog gehangen. Rogge sloeg er de suite voor uit het huis, zodat het precies tussen de twee schoorsteenmantels paste. En de ook toen al beroemde dichter Simon Vinkenoog opende de expositie. De galerie stopte na de verschijning van het Manifest over Niets en een bijbehorende expositie NUL. Daarin werd gesteld dat een schilderij net zoveel waard was als geen schilderij. Op de tentoonstelling was dus niets te zien, laat staan dat er iets te verkopen viel. Rogge: In feite toonden we niets en vertelden dat aan de toevallige bezoeker die voor niets aan de deur kwam. Eigenlijk waren wij helemaal geen lieden die kunst aan de man konden brengen. Daar moet je ook aanleg voor hebben. Ik geloof niet dat we enig schilderij ooit aan de man brachten. Hij zou zijn geld daarna op een andere manier verdienen.

Al ver daarvoor, tussen 1949 en 1960, werkte Rogge voor een Nederlandse bank in Hongkong en in Kobe. Hij maakte er carrière maar wist ook dat geld was niet zijn grote liefde was. Op youtube laat hij zien hoe het er was, en vertelt dat de rustige straten van toen er niet meer zijn omdat alles is volgebouwd. Rogge filmde in een zenklooster en maakte daar de foto die voorop het eerste boek van Van de Wetering werd gepubliceerd. Het boek dat ze samen zouden maken is er nooit gekomen.
Rogge had Van de Wetering leren kennen bij de Nederlandse consul in West-Japan, W.H. de Roos en zijn vrouw Tine. Eind jaren vijftig woonden er ongeveer tweehonderd Nederlanders in Japan en soms werden nieuwkomers door hem met elkaar in contact gebracht. Rogge: ‘Ik heb nog geprobeerd om Janwillem over te halen niet naar dat zenklooster te gaan. Zelf was ik erg bezig met Subud, een geestelijke stroming uit Indonesië. Maar ik had geen schijn van kans.’

Janwillem reisde door naar Kyoto en daarna ontmoetten ze elkaar zo nu en dan in het huis van de kanselier in Kobe. In datzelfde huis begon Van de Wetering aan het beschrijven van zijn ervaringen in het klooster. Rogge weet vrij zeker dat er verschillende versies van het boek geweest zijn: ‘Aanvankelijk was hij er niet tevreden over en heeft hij alles verscheurd. Die lichte toon, die had het eerst niet. ’
Eenmaal terug in Amsterdam, ongeveer vijftien jaar later, hoorde Rogge een radioprogramma over Jan Wolkers en diens internationale ambities. Het irriteerde hem en besloot tot actie over te gaan: ‘Ik heb toen een brief naar de omroep geschreven waarin ik zei dat het schandalig was dat er geen aandacht werd besteed aan een Nederlands literair talent waar Time een hele pagina aan had gewijd, namelijk Janwillem van de Wetering. Dat bracht het balletje aan het rollen. Parool maakt een groot interview met Janwillem en daarna werd hij ontdekt door de media. Janwillem is me er altijd dankbaar voor geweest. Tot in het midden van de jaren tachtig hebben we met elkaar gecorrespondeerd. Daarna verwaterde het contact.’

In 1990 was hij weer in Kyoto. Rogge: ‘Ik herkende het niet meer. Vroeger waren er veel kleine weggetjes, met houten huisjes, heel leuke zaakjes had je er. Overal waren tempels. De beroemde rock-garden was er toen ook al, daar zat je dan in je eentje. Nu hadden ze er een groot vegetarisch restaurant en zaten er wel dertig mensen op een rij in het zand te staren.’ 



dinsdag 25 juni 2013

Buitenveldert


Een biograaf gaat graag op zoek naar grote lijnen en samenhang in het leven van zijn of haar hoofdpersoon. Voor Janwillem van de Wetering was het leven een reeks van toevallige gebeurtenissen, waar op ieder moment een einde aan kon komen. Daar denk ik over na als ik op een vrijdagochtend in februari van Amsterdam CS naar Buitenveldert fiets. Langs de Wibautstraat, waar Van de Wetering veertig jaar eerder op zijn Harley Davidson overheen scheurde.
Ik heb afgesproken met een archivaris die zijn eigen exemplaren van Saddharma aan me uitleende. Saddharma  was het tijdschrift van de vrienden van het boeddhisme en de voorloper van het huidige Boeddhamagazine. Van Wetering was in de jaren zeventig gedurende een korte periode redacteur van het tijdschrift. Hij zorgde ervoor dat er van een stapeltje stencils een echt tijdschrift gemaakt werd. Van de Wetering woonde in die tijd in Buitenveldert.

De Nijenrodeweg, waar Van de Wetering zelf woonde, is in de politieromans ook de woning van De Gier. Die leeft daar alleen, met zijn kat, weg van de hectiek van de binnenstad. Hij heeft een vriendin die af en toe een paar dagen bij hem logeert. De flat en het park ervoor komen me bekend voor, doordat ze in in Een dode uit het Oosten zo natuurgetrouw beschreven zijn. Het is net alsof ik er al eerder geweest ben. Datzelfde gevoel had ik toen ik het terrein van de zengemeenschap in Maine betrad.
In Een dode uit het Oosten is de dood van de vriendin van De Gier een sleutelmoment. Als De Gierna een lange werkdag met de bus en tram naar huis gaat, mijmert hij over een prelude die hij op het werk met Grijpstra speelde: 
De prelude was door de dood geïnspireerd,  met het zekere voorgevoel van de mens die weet, iedere dag weer dat zijn bestaan zal ophouden en dat hij eens de sprong zal moeten nemen. Alleen in een klein bootje op een grot zwart meer met een zilveren schijnsel aan de horizon.
De Gier stapt uit bij het Gijsbrecht van Aemstelpark, loopt over het bruggetje en ziet dat er iets aan de hand is op de brede weg die hij over moet steken om bij zijn huis te komen. Hij vraagt aan een politieman wat er is gebeurd. Die vertelt hem dat er een vrouw is overleden. Aangereden omdat ze achter een kat aan rende. De kat moet nog steeds ergens in het park zitten. De Gier weet onmiddellijk dat de dode vrouw zijn vriendin Esther is. Het verfomfaaide lijk dat nu in een politie-ijskast geschoven werd was een mooie vrouw geweest, met een lange hals, lange benen en bijna onmogelijk dunne enkels die in zijn hand pasten. Hij gaat op zoek naar de kat en vindt die achter een elzenbosje. Hurkt en streelt het natte vel, voelt zijn gebroken ribben. Hij schiet de kat dood met een kogel achter zijn oor. Daarmee is hij alles wat hij lief heeft, kwijt. 
"Je moet nergens in geloven, je met niets vereenzelvigen en dat blijven proberen", zei Van de Wetering in een vraaggesprek over het boek.

Een dode uit het Oosten is een van de interessantste boeken van Van de Wetering, omdat bijna alles wat hem fascineerde er in aan bod komt. In het verhaal gaat De Gier mee met de commissaris naar Japan, om er een bende criminele yakusa uit te schakelen, maar ook om te herstellen van het verlies van zijn vriendin en niet te vergeten zijn kat. Maar het verhaal draait uiteindelijk om de twee hoofdpersonen: de commissaris en de Daimyo, hoofd van de yakusa, De energie tussen hen bepaalt het verloop van het verhaal, meende Van de Wetering. Dat is belangrijker dan het plot. Alles is immers toeval.

De archivaris die ik opzoek heeft Van de Wetering zelf niet gekend. Hij vertelt me over Buitenveldert, waar opvallend veel Japanners wonen vanwege de Japanse bedrijven die even verderop gevestigd zijn.  Verder is het opvallend dat er traditioneel geklede joden op straat lopen, en er is joodse school, een joods ouderencentrum en een synagoge. Van de Wetering voelde zich met beide groepen mensen verbonden. Voelde hij zich om die reden thuis in Buitenveldert? ‘Ik denk dat het toeval is’, zegt de archivaris. "Tijdens  zo’n onderzoek moet je er op letten dat je geen verbanden ziet die er niet zijn." 

Peter


Op 7 februari 2013 is Walter Nowick overleden. Nowick was lange tijd de zenmeester van Janwillem van de Wetering en figureert in de zenboeken onder de naam Peter.
 ‘Zenmeesters, in mijn voorstellingsvermogen, waren kleine Japanse priesters, met glimmende kale schedels en borstelige wenkbrauwen, gekleed in grijze kimono’s. Peter had een ribbeltjesjasje aan en een broek met bobbelknieën.‘

Walter Nowick werd geboren in 1926 op Long Island. Hij was het zesde kind van Russische ouders en had een groot muzikaal talent. In 1945 kwam hij als Amerikaanse soldaat in Japan terecht. Daar raakte hij diep onder de indruk van de verwoestingen die de oorlog aanrichtte. Eenmaal terug in Amerika verdiepte hij zich in de cultuur van het Verre Oosten en begon hij te mediteren bij het First Zen Institute in New York. In 1950 keerde hij terug naar Japan. Hij gaf er muzieklessen in Kyoto en studeerde er zen in het Daitoku-ji klooster. Daar leerde hij in 1958 Janwillem van de Wetering kennen, die anderhalf jaar in het klooster zou verblijven.

In april 2012 woonde Walter Nowick nog steeds vlakbij de Morgan Bay Zendo. Het was een bijzondere ervaring om iemand te ontmoeten die ik tot dan toe alleen kende als romanfiguur. Nowick was inmiddels oud en nogal in de war, maar hij had nog steeds een stevig postuur en begroette me hartelijk. Ik vroeg hem naar zijn tijd in Japan in de hoop dat hij daar nog goed over zou kunnen vertellen. Er kwamen vooral flarden van herinneringen bovendrijven. ‘It was wonderful,’ zei hij. ‘Kyoto was beautiful. I loved the teacher Goto Zuigan Roshi, I loved the other priests that were with him in the temple. And then I met other Japanese people. I got to know many friends. ‘ Hij herinnerde zich Janwillem van de Wetering vaag, zei dat hij het allemaal te lang geleden was.  ‘I would have to sit and sit and sit.’

Nadat hij in 1965 Japan verliet, kreeg hij kreeg al snel een eigen groep volgelingen in Maine. Het was de tijd van de back to the land beweging, waarin hoogopgeleide Amerikanen afstand namen van de consumptiemaatschappij en probeerden zo autonoom mogelijk te leven. De Moonspring Hermitage verbouwde zelf groente en hield koeien, varkens, kippen, eenden en ganzen. Fysieke arbeid werd afgewisseld met intensieve meditatieperiodes.

Nowick maakte het zijn studenten niet gemakkelijk. Hij eiste gehoorzaamheid. Het werk moest gedaan worden zoals hij dat wilde en als het niet goed was moest het overnieuw, ook als het inmiddels middernacht was. Hij daagde zijn studenten uit, vernederde hen. Dat was allemaal bedoeld om hen duidelijk te maken dat er hun ego er niet toe deed, maar hij ging daarin zo ver dat de weerstand tegen zijn methodes snel toenam. Studenten werden door hem weggestuurd en daarna volkomen genegeerd, of ze gingen zelf weg. 
Nowick trok zich in 1985 terug als zenleraar. Hij deed dat door middel van een kort briefje waarin hij schreef dat hij was gaan inzien dat muziek het belangrijkst voor hem was, en dat hij om die reden geen leraar meer kon zijn.  Een aantal jaren later werd de Moonspring Hermitage omgevormd tot Morgan Bay Zendo. Er woont niemand meer, maar er wordt wekelijks gemediteerd en er vinden er regelmatig activiteiten plaats. Janwillem van de Wetering is na zijn dood herdacht in de zendo. Dit voorjaar zal er een herdenkingsbijeenkomst zijn voor Walter Nowick. 

Morgan Bay Zendo


Het dagende niets verscheen in 1973 en is gebaseerd op een aantal bezoeken aan de Moonspring Hermitage in Surry, Maine. In december 1968 gaat Janwillem van de Wetering daar voor het eerst naar toe om er aan mee te doen doen aan Rohatsu, de intensieve meditatieweek voorafgaand aan 8 december – een belangrijke week in ieder zenklooster.
De studenten mediteerden in Surry in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte in de boerderij van Nowick, en later in een huis elders op het terrein. Pas in 1971 werd de zendo gebouwd die beschreven is in Het dagende Niets. Door de jaren heen kwamen er verschillende mensen voor een korte of langere periode langs om te onderzoeken of zen iets voor ze was. In december 1973 woonde Janwillem van de Wetering in een van de houten hutjes op het terrein, ter gelegenheid van Rohatsu. Hij deelde die plek met de man die de Japanse tuinen had aangelegd. Een daarvan lag achter achter het huisje, hij droomde er af en toe in rond. Hij schrijft in een brief aan Juanita dat er veel mensen die hij kende zijn verdwenen. En dat degenen die zijn overgebleven willen dat ‘jij en ik alles opgeven en hier komen wonen.’ Hij voelt er niets voor, schrijft hij Juanita, maar zegt dat niet hardop. In 1975 verhuisde het gezin hier naar toe.

Het terrein van de zengemeenschap is prachtig. Het ziet er Japans uit door de houten gebouwen met overhangende daken en een karakteristieke boom die mee is gegroeid met de wind. Hier en daar staan er narcissen die net zijn uitgekomen. Er loopt een slingerend pad tussen de weg en de zendo, dwars door een bos dat sprookjesachtig aandoet.  De zendo zelf is ruim. Aan weerszijden zijn er houten banken van ongeveer 75 centimeter hoog. Daarop liggen meditatiekussens. In het midden is een verhoging waar ook nog mensen kunnen zitten. Al met al is er plaats voor ongeveer dertig mensen. Vooraan is een klein altaar ingericht met daarop een boeddha met een zwaard.
Dit is dus de plek waar Janwillem van de Wetering zoveel uren doorbracht in stilte. In slaap sukkelde. De andere mediterenden observeerde. Zijn koan oploste.
Er wordt op deze plek nog steeds gemediteerd. De Moonspring Hermitage bestaat niet meer, maar de Morgan Bay Zendo biedt iedere zondagochtend de mogelijkheid om te mediteren en organiseert korte retraites.

Na de meditatie proberen we een van de mostuinen in het bos bladvrij te maken. Middenin staat een beeld van Kwannon. Het is gemaakt door Leonore Strauss, schrijfster en beeldhouwster en een van de eerste zenstudenten van Nowick.  Ze moet een krachtige persoon geweest zijn. Mensen waren onder de indruk van haar. Als zij meende dat iets goed was, volgden mensen haar.  Ze zou in een van de boeken van Van de Wetering figureren. Buitelkruid misschien, waarin een dame op een boot in Amsterdam woont, met dure tapijten, veel beelden en giftige planten. Of Drijflijk, met daarin Lorraine als natuurvrouw en vriendin van De Gier.

Later die week ga ik terug om bij de zendo, in de zon mijn lunch op te eten. Het is er stil, het terrein lijkt verlaten. Je hoort het water van het nabijgelegen riviertje. Af en toe een vogeltje. Een specht. Ik ruik vuur. Er komt een vliegtuigje overvliegen, ik hoor het maar zie niets. Ziet iemand mij? Ik moet denken aan de tekeningen vanuit vogelperspectief in  Murder by remote control. Aan het de vliegtocht die Van de Wetering beschreef in Zuivere Leegte, toen hij de timmerman van de zendo terugvond doordat hij een Japans bouwsel ziet in een van de uitgestrekte bossen onder hem.
De lucht trekt dicht, het wordt donker. Als ik wegloop kom ik een jongen tegen die ik zondag ook al ontmoette. Mager, met lange rode dreads, een grote muts met oorkleppen en een gewatteerd houthakkershemd. Een wat verlegen techniekstudent die geïnteresseerd is in het boeddhisme. Hij woont tijdelijk in een van de huisjes en werkt wat in de tuinen. Hij zou hier altijd wel willen blijven.

Janwillem van de Wetering  nam uiteindelijk nadrukkelijk afstand van de zengemeenschap en van Walter Nowick. Hij zei zelfs spijt te hebben van zijn boek Het Dagende Niets, omdat hij daarin het leven in de zendo te positief beschreven had.

Eerlijkheid en humor


‘Voor wie het leven in de werkelijkheid vreest is er, zoals bekend, de uitweg van een leven in de kunst’, schrijft Hans Goedkoop in zijn bundel Een verhaal dat het leven moet veranderen. Volgens hem veranderde de literatuur na 1968, literatuur was niet langer een spiegel van de werkelijkheid. Het leek erop dat schrijvers niet langer uit de voeten konden met wat ze om zich heen zagen. Alsof er onder al het maatschappelijk lawaai eigenlijk niets te zien was. Je zou zeggen dat het geen toeval is dat De Lege Spiegel in die jaren verscheen -in 1971. In dat boek beschrijft Van de Wetering zijn ervaringen in een zenklooster eind jaren vijftig in Kyoto. De titel verwijst naar het (te verwerven) inzicht dat niets reflecteert, dat er niets is dat kan weerspiegelen. Het boek deed in Nederland niet veel maar kwam in de Verenigde Staten op de leeslijst van boekenclubs te staan en werd daar een succes.

In Nederland werd Van de Wetering een beroemdheid na het verschijnen van zijn eerste Grijpstra en De Gierroman, Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen (1975). Kort daarna emigreerde hij naar Maine. Van de Wetering verkoos leven in de zengemeenschap daar boven het hectische leven als zakenman en schrijver in Amsterdam. Hij ging wel door met het schrijven van Grijpstra en de Gierromans, gebaseerd op zijn werk bij de vrijwillige politie in Amsterdam. Via het postkantoor van Surry hield hij contact met zijn uitgevers en met vrienden en kennissen. Zo nu en dan reisde hij naar Nederland om te praten met de pers of om onderzoek te doen voor een nieuw boek.
Die reizen waren ook een bron van inspiratie. In zijn verhalen beschrijft hij soms hoe hij op de luchthaven of in het vliegtuig bij mensen tegenkwam die hem een goede tip of een interessant verhaal aan de hand deden. Zo kwam hij op het idee om grond te kopen en te verkopen in Maine, en ontmoette hij de Indiase goeroe Baba aan wie hij een verhaal wijdde in Zuivere Leegte. Alles is toeval, maar het is een vorm van levenskunst om kansen en mogelijkheden die voorbij komen ook daadwerkelijk te benutten.

Lezers leerden Janwillem van de Wetering kennen als schrijver, motorrijder, politieman, zakenman, avonturier, boeddhist. Zelf relativeerde hij die rollen voortdurend.  Nog steeds is het lastig om te achterhalen wat echt gebeurd is en wat hij verzon. De werkelijkheid maak je zelf, dat was wat de Indiase goeroe Nisargadatta, zijn grote held, hem leerde:  The search for Reality is the most dangerous of all undertakings, for it destroys the world in which you live

In Portland is een kleine boekhandel die gespecialiseerd  is in thrillers en detectives: The Green Hand. De eigenaresse probeert het werk van Janwillem van de Wetering op voorraad te houden omdat ze een klantenkring heeft met een aantal verstokte fans. Zelf waardeert ze de eerlijkheid en humor in zijn boeken. Eerlijkheid en humor, daarmee kun je de werkelijkheid te lijf.